DutchEnglishFrenchGerman
Kinderen zijn onze toekomst, daar moeten we zuinig op zijn

Jeugdzorg 1

DPN en Jeugdzorg

De nieuwe Wet op de Jeugdzorg schrijft voor dat er één Bureau Jeugdzorg per provincie komt. Dat is hard nodig, want momenteel werken instanties volstrekt langs elkaar heen. Zo maakt directeur Bart Groeneweg van Stichting Jeugdzorg Zuid-Holland zich zorgen over diverse zaken en niet in de laatste plaats over de bureaucratie; “Als meer personen zich met de hulpvraag bezig houden, leidt dat tot extra registratie en rapportage. Het zou naar mijn mening goed zijn als zoveel mogelijk handelingen in één dossier door dezelfde persoon worden verricht”. Dat gebeurt nu niet. Dat dit desastreuze gevolgen kan hebben bleek wel in het afgelopen jaar, toen zes kinderen van één gezin omkwamen bij een brand in Maastricht. Er waren gewoonweg teveel instanties betrokken bij dit gezin en de ene instantie wist vaak niet van medebetrokkenheid of medehulpverlening door de andere af. Een inventarisatie en visievorming door het DPN.

De nieuwe Wet op de Jeugdzorg schrijft voor dat de Jeugdreclassering, de intake van de Raad voor de Kinderbescherming en het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling worden ondergebracht bij de nieuwe Bureaus Jeugdzorg. Op grond hiervan wordt ook subsidie verleend door de provinciale overheden. De laatste tijd is ook een maatschappelijke tendens waarneembaar dat van overheid en instellingen verwacht wordt dat zij veel meer (pro-)actief optreden teneinde ernstige misstanden in gezinnen te voorkomen, de zogenaamde bemoeizorg. Daaronder vallen opvoedingscursussen en intensieve begeleiding van met name jongeren die in de (ernstige en/of veel voorkomende) jeugdcriminaliteit terecht komen of dreigen te komen. “De grenzen aan eigen verantwoordelijkheid, zelfregulering en privacy van de burger lijken daarbij bereikt”, zo constateert het Bureau Jeugdzorg zelf.

Het DPN zet dan ook in op ‘ombouw’ van het Bureau Jeugdzorg. Er zal een mentaliteitsomslag moeten plaatsvinden van passief naar actief ‘opvoedingsondersteunend’. Dit uiteraard duidelijk omlijnd en goed uitgewerkt. Daarbij zet het DPN in op een veel stelselmatiger en doeltreffender samenwerking tussen de vier ‘marktpartijen’, zijnde:

• Bureau Jeugdzorg

• Scholen en Schoolmaatschappelijk werk en eventueel de vertrouwensarts

• GGD en consultatiebureaus (m.n. op het gebied van mishandeling in thuissituaties)

• Politie en justitie

Samenwerking tussen Bureau Jeugdzorg en politie bestaat al in de vorm van het Jeugdpreventieteam. Dit moet krachtdadig worden voortgezet en uitgebouwd. Nu is de praktijk reeds dat als de politie of leerkracht op school problemen signaleert, de politie (en/of vertrouwensarts) wordt ingeseind en een kortlopend hulpverleningsaanbod plaatsvindt door Bureau Jeugdzorg. Deze samenwerking moet beter en intensiever worden, blijkt in de praktijk.

Het Jeugdpreventieteam moet ook slagkracht krijgen om ‘dringend sturend’ op te treden. Volgens DPN speelt de politie een belangrijke rol bij signalering van problemen, evenals de leerkracht op school en dienen deze partijen veel eerder ‘dringend’ (of ‘dwingend’?) in te kunnen grijpen.

Alle partijen die signalen doorgeven aan Bureau Jeugdzorg moeten goed aangestuurd worden en adequate feedback krijgen vanuit Bureau Jeugdzorg. De vier genoemde partijen dienen frequent overleg te plegen op -liefst- provinciaal en/of stedelijk-regionaal niveau. Het mag niet meer voorkomen dat teveel instanties op eigen houtje ‘hun’ dossier afwerken, maar dit dient centraal door Bureau Jeugdzorg te geschieden. De communicatielijnen moeten daarbij kort gehouden worden middels bij voorkeur één dossierbeheerder.

Vanuit het dossierbeheer kan Bureau Jeugdzorg twee kanten uit:

  • vrijwillige jeugdzorg
  • ‘bemoeizorg’

Onder de vrijwillige jeugdzorg kan van alles ressorteren als nu reeds gebeurt, zoals Basishulp, Kort Ambulant, Sociale vaardigheidstraining, casemanagement. Bureau Jeugdzorg moet echter veel meer aandacht gaan besteden aan de tweede kant van haar taak, die wellicht deels nieuw zal zijn, namelijk de reeds genoemde ‘bemoeizorg’. Onder de huidige werkomstandigheden komen medewerkers van Bureau Jeugdzorg niet toe aan de werkelijke kerntaken die moeten leiden tot ‘bemoeizorg’. Dient ook de politie op dit punt niet te worden versterkt, bijvoorbeeld middels versterking van de Jeugd- en Zedenpolitie?

Een voorbeeld uit de praktijk: “Sinds de wijziging van de Wet op de ondertoezichtstelling (OTS) in 1995 wordt over het algemeen slechts tien procent van de tijd van de (gezins)voogd besteed aan daadwerkelijke contacten met de cliënt. Gemiddeld komt de voogd eenmaal per maand anderhalf uur langs in het gezin. De resterende tijd besteedt de voogd aan de juridische en administratieve taken en voert overleg met betrokken instanties” (Jaarwerkplan 2003 Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland).

Wat volgt in vermeld jaarwerkplan is een brei aan ‘beleidsvoornemens’ en ‘intenties’ die voor een leek niet meer te volgen is. Kortom: een bureaucratisch woud waar je zelfs bij stralend daglicht nog in verdwaald en nooit meer uitkomt. Het DPN sluit zich dan ook aan bij de zorg die directeur Groeneweg verwoordt.

Hoe ziet DPN deze ‘bemoeizorg’ structuur krijgen? DPN grijpt daarbij deels terug op de commissie Montfrans, die een aantal jaren geleden een schets maakte voor de aanpak van jeugdcriminaliteit en probleemgezinnen. Die schets was weer te geven in drie woorden: vroegtijdig, snel en consequent. DPN is hier eveneens groot voorstander van.

  • vroegtijdig
  • snel
  • consequent

Jeugdige delinquentie kan in een vroeg stadium gesignaleerd worden door meer inzet van politie in de wijk en jeugd- en (kerkelijke) jongerenwerkers te trainen in het herkennen van de signalen en hen serieus hierin te betrekken. Uit recent GGD onderzoek blijkt verder dat bij allochtone jongeren en jongeren afkomstig uit één-oudergezinnen vaker gezondheids-, psychosociale en gedragsproblemen voortkomen. Voor deze groepen is meer aandacht nodig (‘Met het oog op jongeren’, september 1999).

De signalen moet dan snel opgepakt worden door de eerstelijns aanspreekpunten als vermeld en doorgegeven aan het Bureau Jeugdhulp. Vervolgens dient in even snel tempo een duidelijke omschrijving en plan van aanpak opgesteld te worden door een ‘voordeurwerker’ van Bureau Jeugdzorg, die daarop de lijn consequent doortrekt naar praktische hulpverlening.

Een tweetal vormen van ‘bemoeizorg’ vinden momenteel reeds plaats:

  1. Toezicht en begeleiding; “een vrijwillige maar niet vrijblijvende vorm van Jeugdreclassering die op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of de Officier van Justitie wordt geïnitieerd”
  2. Hulp en steun; een vorm van gedwongen Jeugdreclassering opgelegd door de rechtbank of het OM”. (Jaarwerkplan 2003, Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland)

Het kan en mag niet zo zijn dat ouders, die hulp bij de opvoeding nodig hebben, lang moeten wachten op hulp. De overheid dient geld en mensen beschikbaar te stellen die probleemsituaties adequaat gaan aanpakken. DPN pleit daarbij verder voor (her)invoering dan wel versterking van de Jeugd- en Zedenpolitie, die actief moet worden ingeschakeld bij zowel het signalerings- als begeleidingstraject, aangestuurd vanuit Justitie en Bureau Jeugdzorg. Dit niet slechts op regionaal, maar op districtsniveau, met regionale aansturing, opleiding en begeleiding (1). Basis hiervoor dient uiteraard regelmatig werkoverleg te zijn. Het adagium moet daarbij voortdurend zijn: vroegtijdig, snel en consequent.

Auteur: Lucas Hartong i.s.m. Mr. M. Kievits

(1) De Nederlandse politie is verdeeld in 25 regionale politiekorpsen. Deze korpsen zijn weer verdeeld in districten.

 

DPN en Jeugdzorg

De nieuwe Wet op de Jeugdzorg schrijft voor dat er één Bureau Jeugdzorg per provincie komt. Dat is hard nodig, want momenteel werken instanties volstrekt langs elkaar heen. Zo maakt directeur Bart Groeneweg van Stichting Jeugdzorg Zuid-Holland zich zorgen over diverse zaken en niet in de laatste plaats over de bureaucratie; “Als meer personen zich met de hulpvraag bezig houden, leidt dat tot extra registratie en rapportage. Het zou naar mijn mening goed zijn als zoveel mogelijk handelingen in één dossier door dezelfde persoon worden verricht”. Dat gebeurt nu niet. Dat dit desastreuze gevolgen kan hebben bleek wel in het afgelopen jaar, toen zes kinderen van één gezin omkwamen bij een brand in Maastricht. Er waren gewoonweg teveel instanties betrokken bij dit gezin en de ene instantie wist vaak niet van medebetrokkenheid of medehulpverlening door de andere af. Een inventarisatie en visievorming door het DPN.

De nieuwe Wet op de Jeugdzorg schrijft voor dat de Jeugdreclassering, de intake van de Raad voor de Kinderbescherming en het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling worden ondergebracht bij de nieuwe Bureaus Jeugdzorg. Op grond hiervan wordt ook subsidie verleend door de provinciale overheden. De laatste tijd is ook een maatschappelijke tendens waarneembaar dat van overheid en instellingen verwacht wordt dat zij veel meer (pro-)actief optreden teneinde ernstige misstanden in gezinnen te voorkomen, de zogenaamde bemoeizorg. Daaronder vallen opvoedingscursussen en intensieve begeleiding van met name jongeren die in de (ernstige en/of veel voorkomende) jeugdcriminaliteit terecht komen of dreigen te komen. “De grenzen aan eigen verantwoordelijkheid, zelfregulering en privacy van de burger lijken daarbij bereikt”, zo constateert het Bureau Jeugdzorg zelf.

Het DPN zet dan ook in op ‘ombouw’ van het Bureau Jeugdzorg. Er zal een mentaliteitsomslag moeten plaatsvinden van passief naar actief ‘opvoedingsondersteunend’. Dit uiteraard duidelijk omlijnd en goed uitgewerkt. Daarbij zet het DPN in op een veel stelselmatiger en doeltreffender samenwerking tussen de vier ‘marktpartijen’, zijnde:

· Bureau Jeugdzorg
· Scholen en Schoolmaatschappelijk werk en eventueel de vertrouwensarts
· GGD en consultatiebureaus (m.n. op het gebied van mishandeling in thuissituaties)
· Politie en justitie

Samenwerking tussen Bureau Jeugdzorg en politie bestaat al in de vorm van het Jeugdpreventieteam. Dit moet krachtdadig worden voortgezet en uitgebouwd. Nu is de praktijk reeds dat als de politie of leerkracht op school problemen signaleert, de politie (en/of vertrouwensarts) wordt ingeseind en een kortlopend hulpverleningsaanbod plaatsvindt door Bureau Jeugdzorg. Deze samenwerking moet beter en intensiever worden, blijkt in de praktijk.

Het Jeugdpreventieteam moet ook slagkracht krijgen om ‘dringend sturend’ op te treden. Volgens DPN speelt de politie een belangrijke rol bij signalering van problemen, evenals de leerkracht op school en dienen deze partijen veel eerder ‘dringend’ (of ‘dwingend’?) in te kunnen grijpen.

Alle partijen die signalen doorgeven aan Bureau Jeugdzorg moeten goed aangestuurd worden en adequate feedback krijgen vanuit Bureau Jeugdzorg. De vier genoemde partijen dienen frequent overleg te plegen op -liefst- provinciaal en/of stedelijk-regionaal niveau. Het mag niet meer voorkomen dat teveel instanties op eigen houtje ‘hun’ dossier afwerken, maar dit dient centraal door Bureau Jeugdzorg te geschieden. De communicatielijnen moeten daarbij kort gehouden worden middels bij voorkeur één dossierbeheerder.

Vanuit het dossierbeheer kan Bureau Jeugdzorg twee kanten uit:

· vrijwillige jeugdzorg
· ‘bemoeizorg’

Onder de vrijwillige jeugdzorg kan van alles ressorteren als nu reeds gebeurt, zoals Basishulp, Kort Ambulant, Sociale vaardigheidstraining, casemanagement. Bureau Jeugdzorg moet echter veel meer aandacht gaan besteden aan de tweede kant van haar taak, die wellicht deels nieuw zal zijn, namelijk de reeds genoemde ‘bemoeizorg’. Onder de huidige werkomstandigheden komen medewerkers van Bureau Jeugdzorg niet toe aan de werkelijke kerntaken die moeten leiden tot ‘bemoeizorg’. Dient ook de politie op dit punt niet te worden versterkt, bijvoorbeeld middels versterking van de Jeugd- en Zedenpolitie?

Een voorbeeld uit de praktijk: “Sinds de wijziging van de Wet op de ondertoezichtstelling (OTS) in 1995 wordt over het algemeen slechts tien procent van de tijd van de (gezins)voogd besteed aan daadwerkelijke contacten met de cliënt. Gemiddeld komt de voogd eenmaal per maand anderhalf uur langs in het gezin. De resterende tijd besteedt de voogd aan de juridische en administratieve taken en voert overleg met betrokken instanties” (Jaarwerkplan 2003 Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland).

Wat volgt in vermeld jaarwerkplan is een brei aan ‘beleidsvoornemens’ en ‘intenties’ die voor een leek niet meer te volgen is. Kortom: een bureaucratisch woud waar je zelfs bij stralend daglicht nog in verdwaald en nooit meer uitkomt. Het DPN sluit zich dan ook aan bij de zorg die directeur Groeneweg verwoordt.

Hoe ziet DPN deze ‘bemoeizorg’ structuur krijgen? DPN grijpt daarbij deels terug op de commissie Montfrans, die een aantal jaren geleden een schets maakte voor de aanpak van jeugdcriminaliteit en probleemgezinnen. Die schets was weer te geven in drie woorden: vroegtijdig, snel en consequent. DPN is hier eveneens groot voorstander van.

· vroegtijdig
· snel
· consequent

Jeugdige delinquentie kan in een vroeg stadium gesignaleerd worden door meer inzet van politie in de wijk en jeugd- en (kerkelijke) jongerenwerkers te trainen in het herkennen van de signalen en hen serieus hierin te betrekken. Uit recent GGD onderzoek blijkt verder dat bij allochtone jongeren en jongeren afkomstig uit één-oudergezinnen vaker gezondheids-, psychosociale en gedragsproblemen voortkomen. Voor deze groepen is meer aandacht nodig (‘Met het oog op jongeren’, september 1999).

De signalen moet dan snel opgepakt worden door de eerstelijns aanspreekpunten als vermeld en doorgegeven aan het Bureau Jeugdhulp. Vervolgens dient in even snel tempo een duidelijke omschrijving en plan van aanpak opgesteld te worden door een ‘voordeurwerker’ van Bureau Jeugdzorg, die daarop de lijn consequent doortrekt naar praktische hulpverlening.

Een tweetal vormen van ‘bemoeizorg’ vinden momenteel reeds plaats:

1. Toezicht en begeleiding; “een vrijwillige maar niet vrijblijvende vorm van Jeugdreclassering die op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of de Officier van Justitie wordt geinitieerd”

2. Hulp en steun; een vorm van gedwongen Jeugdreclassering opgelegd door de rechtbank of het OM”. (Jaarwerkplan 2003, Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland)

Het kan en mag niet zo zijn dat ouders, die hulp bij de opvoeding nodig hebben, lang moeten wachten op hulp. De overheid dient geld en mensen beschikbaar te stellen die probleemsituaties adequaat gaan aanpakken. DPN pleit daarbij verder voor (her)invoering dan wel versterking van de Jeugd- en Zedenpolitie, die actief moet worden ingeschakeld bij zowel het signalerings- als begeleidingstraject, aangestuurd vanuit Justitie en Bureau Jeugdzorg. Dit niet slechts op regionaal, maar op districtsniveau, met regionale aansturing, opleiding en begeleiding (1). Basis hiervoor dient uiteraard regelmatig werkoverleg te zijn. Het adagium moet daarbij voortdurend zijn: vroegtijdig, snel en consequent.

Auteur: Lucas Hartong i.s.m. Mr. M. Kievits

(1) De Nederlandse politie is verdeeld in 25 regionale politiekorpsen. Deze korpsen zijn weer verdeeld in districten.