DutchEnglishFrenchGerman
Kinderen zijn onze toekomst, daar moeten we zuinig op zijn

Jeugdzorg 3

Het gezin als gevangenis

Waarom Nederland niet wil weten dat er elk jaar vijftig `Rowena’s’ zijn.

door Danielle Pinedo

Doet de Nederlandse overheid genoeg tegen ouders die hun kinderen mishandelen? Over brandende sigarettenpeuken, een jaar wachttijd en het taboe op staats- opvoeding.

Als kind had Karin Vermeulen (29) nachtmerries. Dan was ze getuige van marteling. Of stond ze in de frontlinie van een oorlog. ,,Er was dreiging”, herinnert ze zich. Gevaar. Angst. ,,Mijn onderbewuste draaide ‘s nachts overuren.” Maar ook overdag voelde zij zich niet veilig.

Zodra haar vader de oprijlaan opkwam, ruimde haar moeder in sneltreinvaart de kamer op. Op het moment dat hij de sleutel in het slot stak, was de televisie uit en zaten zij en haar broer kaarsrecht op de bank.

Ze waren met zijn vieren thuis. Zij, haar oudere broer, haar moeder en haar vader, die directeur was van een goedlopend automatiseringsbedrijf. Alles draaide om hem. De aanblik van een rondslingerende schoen was soms al voldoende voor een scheldpartij. Of een lege voederbak naast een hondenmand. Dan schreeuwde haar vader naar haar moeder. Dat ze niet kon koken, dat ze dom was, dat ze niets van haar leven terechtbracht. Een enkele keer kwam het tot fysiek geweld. Maar dat was ‘s nachts, buiten het blikveld van de kinderen.

Vermeulen woont nu in een middelgrote gemeente in midden-Nederland. Na de heao-opleiding communicatie schreef zij zich in voor een opleiding alternatieve geneeswijzen in de hoop dat ze op den duur een eigen praktijk zou kunnen beginnen.

Als kind van acht kwam Vermeulen met haar broertje na school vaak thuis in een leeg huis. Dan was haar moeder op de golfbaan: ,,Daar kon zij zich bewijzen, daar werd ze gerespecteerd.”

Haar vader was eigenlijk heel kwetsbaar. Hij kwam, toen ze twaalf was, ‘s nachts weleens bij haar uithuilen. Vermeulen gaf hem op zo’n moment advies, vervulde de ouderrol. Dan raadde ze hem bijvoorbeeld aan om zich opener op te stellen tegenover haar moeder. Te zéggen dat hij het fijn vond als zij hem aanraakte. ,,Ik voelde zijn kwetsbaarheid heel goed aan. Dat gaf mij een machtsgevoel, maar het klopte niet.”

Dat haar leven thuis anders was dan dat van leeftijdsgenoten begon Vermeulen pas te dagen toen ze puber was. Met steeds meer tegenzin ging ze na schooltijd naar huis. En toen zij via haar huisarts in contact kwam met een psychiater – ze was zeventien – ontdekte zij hoeveel zij tekort was gekomen. ,,Als ik mijn ei kwijt wilde”, zegt Vermeulen, ,,moest ik zorgen dat ik een goed verhaal had. Ik moest veel moeite doen om aandacht en liefde van mijn moeder te krijgen.”

Wat Vermeulen overkwam heet kindermishandeling, al neemt ze de term zelf niet graag in de mond. ,,Dat riekt al snel naar daders en slachtoffers en ik denk niet graag in die termen. Ouders hebben óók hun voorgeschiedenis, vaak wéten ze gewoon niet beter.”

Maar in het standaardwerk over kindermishandeling – Wie zal de opvoeders opvoeden? Kindermishandeling en het recht van het kind op persoonswording (1999) – heet het overdag alleen achterlaten van een kind `fysieke verwaarlozing’. Wanneer de ene ouder meermalen minachtende opmerkingen maakt over de ander, het kind consequent genegeerd wordt of de ouderrol moet vervullen, is volgens auteur Jan Willems sprake van `emotionele maltraitering’.

Beide varianten vallen onder kindermishandeling, waartoe ook lichamelijke mishandeling (veelvuldig schoppen en slaan), lichamelijke verwaarlozing (onthouden van voedsel, kleding, medicijnen) en seksueel misbruik worden gerekend.

Naar schatting van de Raad voor de Kinderbescherming worden elk jaar 50.000 kinderen in Nederland mishandeld. Vijftig van hen overleven die mishandeling niet, zegt diezelfde raad.

Dat klinkt als onwaarschijnlijk veel. Maar als je je baseert op schattingen van Amerikaans onderzoek, gaat het om 80.000 gevallen per jaar, meent Jan Willems, docent internationaal recht aan de Universiteit van Maastricht. Feiten ontbreken.

In Nederland is – afgezien van een studie naar seksueel misbruik onder meisjes, eind jaren tachtig – nooit grootschalig onderzoek verricht naar kindermishandeling. ,,Die vijftig overleden kinderen werden dood geslagen, of stierven door verwaarlozing”, zegt Willems. ,,Maar we weten niet hoeveel baby’s door een gebrek aan koestering overlijden. Of hoeveel kleuters verdrinken als gevolg van een consequent gebrek aan toezicht. En de vraag is of die gevallen als kindermishandeling worden herkend.”

Een enkele keer haalt kindermishandeling de krantenkolommen. En dan valt het bericht in de categorie van `ongelooflijke verhalen, uitzondelijke incidenten’. Zoals een Haagse moeder die vier jaar geleden haar driejarige dochter zó had verwaarloosd, dat zij kon praten noch lopen en nog nooit naar buiten was geweest.

Een baby uit Zoetermeer – binnen een half jaar vier keer opgenomen in een ziekenhuis, de laatste keer met hersenletsel. Pas na de vierde keer hield de politie de twintigjarige vader aan die de baby had mishandeld.

Of de zaak-Rowena Rikkers: in augustus vorig jaar vond een visser bij Hoek van Holland haar hoofd. Het vierjarige meisje is volgens het openbaar ministerie door haar stiefvader en moeder mishandeld en uiteindelijk in stukken gesneden – komende week begint de rechtszaak.

Het incident in Roermond. Een vader bekende dat hij na een ruzie met zijn vrouw het huis in brand had gestoken. Zes kinderen kwamen daarbij om.

Grote gedogen

Over kindermishandeling staat een ding wél vast. Burgers en hulpverleners vragen steeds sneller advies of raad als zij vermoeden dat een kind wordt mishandeld.

Kwamen er bij de veertien Advies & Meldpunten Kindermishandeling (AMK’s) in 1997 nog 8.438 telefoontjes binnen van bezorgde buren, leraren, en artsen, vorig jaar was dat aantal verdubbeld tot 16.791. Maar het is een misvatting op basis van deze cijfers te concluderen dat kindermishandeling in Nederland is toegenomen, zegt Gert van Harten, directeur van het AMK in Gelderland. ,,Nee, de bereidheid om over kindermishandeling te praten neemt langzaam toe. Het grote gedogen is voorbij.”

In de meeste gevallen (éénvijfde) gaat het om lichamelijke mishandeling. Hersenbeschadiging. Oogletsel. Oorschade. Gebroken botten, brandwonden, uitgedrukte sigarettenpeuken. Zo weet Van Harten dat een baby van zeven weken met zeven botbreuken allang geen zeldzaamheid meer is in Nederland.

Seksueel misbruik staat met 18,5 procent op de tweede plaats, gevolgd door emotionele verwaarlozing (17,5 procent). Er worden iets meer vermoedens over mishandeling bij meisjes dan bij jongens geuit. In het merendeel van de gevallen gaat het om kinderen in de leeftijd van drie tot elf jaar.

Ondanks het stijgende aantal adviezen en consulten (die anoniem mogen worden gegeven door de meldpunten) bleef het aantal meldingen van kindermishandeling – jaarlijks zo’n vijf- à zesduizend – vrij constant. Meldingen worden altijd grondig onderzocht door de meldpunten.

Blijkt dat er sprake van mishandeling is, dan zoekt zo’n meldpunt hulp. Voor hulp zijn mishandelde kinderen – maar ook hun ouders – aangewezen op de jeugdzorg, de Geestelijke Gezondheids Zorg-instellingen (GGZ) en het algemeen maatschappelijk werk. Alleen slachtoffers van seksueel misbruik kunnen een beroep doen op speciale voorzieningen, zoals lotgenotengroepen.

In de twee jaar dat ze bestaan zijn de meldpunten een tamelijk effectief instrument gebleken om kindermishandeling in een vroegtijdig stadium op te sporen. Maar de bureaus dreigen aan hun eigen succes ten onder te gaan; alle meldpunten kampen met wachtlijsten.

Over de wachttijden doen de bureaus geheimzinnig, maar ingewijden constateren dat het soms een jaar duurt voordat iemand geholpen wordt. Onderzoek van het Landelijk Platform Jeugdzorg vorig jaar onderstreept dat: maar liefst 93 procent van de meldpunten vindt dat de wachttijden bij de overdracht van een mishandelingszaak door jeugdzorg of de Raad voor de Kindermishandeling ,,onaanvaardbaar” of ,,alarmerend” zijn.

In de praktijk blijkt dat het hulpaanbod weinig samenhangend is en sterk afhankelijk van personen. Daardoor kan mishandeling binnen een gezin soms jarenlang voortduren, omdat alle partijen ervan uitgaan dat `de andere instantie’ het probleem wel zal aankaarten.

Zo was het Roermondse gezin al jaren bekend bij hulpverleners – de Riagg, de jeugdzorg, de kinderbescherming, ja zelfs bij de burgemeester. Ze waren er allemaal bij betrokken, maar ,,wat mensen doen, heb je niet in de hand”, reageerde de burgemeester.

Opmerkelijk is dat het nieuwe kabinet een staatssecretaris van gezinszaken heeft aangesteld en in het `strategisch akkoord’ erkent dat kindermishandeling een maatschappelijk probleem is.

Het kabinet streeft naar ,,een verbetering van preventie en repressie van kindermishandeling en van zedendelicten ten aanzien van kinderen”. Met welke maatregelen, dat is aan de nieuwe minister en staatssecretaris. Ex-Kamerlid Els Meijer (VVD) spreekt van ,,een absolute doorbraak”. In de vorige regeringsperiode bleek het nog niet eens mogelijk een algemeen overleg over het onderwerp te organiseren.

Kindermishandeling is geen onderwerp waar je in Den Haag mee kunt scoren, zegt vrijgevestigd psychiater Andries van Dantzig. Als voorzitter van de Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling (RAAK) heeft hij de Tweede Kamer de afgelopen twee jaar bestookt met folders om het thema op de politieke agenda te krijgen. Kinderen zijn volgens de psychiater een onderdrukte minderheid.

Vorige maand had Van Dantzigs actie resultaat. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegde een bedrag van 750.000 euro toe voor een proefproject waaraan schoolartsen, huisartsen en consultatiebureaus gaan meedoen. ,,Zij moeten de intellectuele en emotionele voortgang van kinderen nauwgezet gaan volgen”, zegt Van Dantzig.

Koffiemok

Het is dinsdagochtend als vrijwilligster Ria Hulsmeijers haar fiets tegen het huis aanzet van Chris Ikkink (32). Chris Ikkink is bijstandsmoeder. Drie kinderen heeft ze (13 jaar, 4 jaar en 3 maanden). Ze woont in een volkswijk aan de rand van Hengelo.

Van mishandeling is in het gezin van Ikkink geen sprake, maar ze behoort volgens hulpverleners tot een risicogroep. Daarom krijgt ze wekelijks bezoek van een vrijwilliger van Home Start, een project dat is overgewaaid uit Groot-Brittannië.

Vorig jaar bezochten 940 vrijwilligers van de organisatie elke week 1.410 gezinnen. Deze gezinnen hebben veel gemeen. Constanten zijn alleenstaand ouderschap, een slechte financiële situatie, alcohol- en drugsverslaving of ouders die in hun jeugd zelf mishandeld zijn.

,,Hou is het nou met je?”, vraagt de vrijwilligster Ria Hulsmeijers aan Ikkink.

,,Hij ontkent het”, zucht Ikkink, terwijl zij Hulsmeijers een koffiemok in handen drukt.

,,Hij ontkent wat?”

,,Dat hij Sjors verwekt heeft. Hij is zwaar in ontkenning.”

,,Je hoort nooit wat van je ex?”

,,Jawel, maar als hij komt, maakt hij problemen. Zelfs als ik er niet ben. Dan tref ik bij thuiskomst een kapotte wasmolen aan. Of een lekgeprikte fietsband.”

,,Hij treitert…”

,,Ja, Anton is geen lieverdje. Hij is klein van stuk, maar ontiegelijk agressief. En onvoorspelbaar. Ik ben wel eens bang dat hij de deur intrapt, Sjors uit de box grist en wegvlucht naar het buitenland.”

,,Heb je daar aanwijzingen voor? Heeft hij daarmee gedreigd?”

,,Nee. Maar hij doet er alles aan om mij op de kast te jagen. Koopt de kinderen om met dure cadeaus. Mama heeft geen geld, zegt hij dan. Kom maar bij papa wonen.”

Ikkinks kinderen hebben allemaal een andere vader. Met twee van hen onderhoudt de Hengelose contact. Met de derde leeft zij op voet van oorlog. Maar geen van de vaders bemoeit zich intensief met de opvoeding van zijn kind.

,,Ik heb geen werk, mijn ouders zijn overleden toen ik jong was en ik heb weinig vrienden”, verzucht Ikkink. ,,Daardoor leef ik tamelijk geïsoleerd. Dan weet je op het laatst niet meer waar je het zoeken moet, hoor. Dan ben je rijp voor een inrichting.”

De ontmoetingen tussen Ikkink en Hulsmeijers zijn nooit spectaculair – ,,We doen de afwas, of kletsen wat op de bank” – maar de Hengelose zegt er veel baat bij te hebben. ,,Het is fijn als iemand van buiten met je meedenkt en zegt dat je het – gegeven de situatie – goed doet.”

Ze praten veel. Over Ikkinks lichamelijke conditie (,,Een kopje afwassen is me al te veel”), over haar slechte financiële situatie (,,Ik moet rondkomen van 60 euro in de week, ik kan geen kant op”) en over haar vluchtgedrag (,,Ik wil emigreren, dit land is mij te drukbevolkt”). De opvoeding komt alleen zijdelings ter sprake, bijvoorbeeld als een kind opvallend gedrag vertoont.

Zo legt Ikkink aan het bezoek uit dat vierjarige Chantal zich normaal niet zo voorbeeldig gedraagt. ,,Als we alleen zijn, knalt ze na schooltijd de deur open en begint te commanderen.”

,,Misschien kan je het ook anders bekijken”, oppert Hulsmeijers. ,,Een kind wil zich gewoon afreageren. Jíj bent toch de volwassene?”

Ikkink schudt haar hoofd. ,,Nee, dat lukt mij niet. Ik ben altijd moe, moe, moe. En geloof me, Chantal kan meedogenloos zijn. Juist als ik mij klein voel, pakt ze me. Ze weet mijn zwakke plek feilloos te vinden.”

Staatsopvoeding

Dat Home Start een van oorsprong buitenlands project is, is niet toevallig. In Nederland heerst van oudsher de opvatting dat opvoeding van kinderen geen overheidstaak is. Dat ingrijpen in opvoeding de rechten en vrijheden van ouders aantast.

In vergelijking met andere westerse landen neemt Nederland daardoor een te afwachtende houding aan waar het de bescherming van kinderen betreft, zo concludeerde onderzoeker A. Veldkamp vorig jaar in zijn onderzoek Over grenzen. Waar België, Engeland, Ierland, Nieuw Zeeland en Duitsland hun aandacht de afgelopen jaren verlegden van repressie naar preventie van kindermishandeling, blijft de Nederlandse overheid krampachtig vasthouden aan de uit het begin van de twintigste eeuw stammende wetgeving over jeugdbescherming.

Anders dan in de Scandinavische landen is de `pedagogische tik’ in Nederland nog altijd niet verboden. En hebben artsen vooralsnog geen meldplicht als blijkt dat hun patiëntjes thuis mishandeld worden. Ook opvoedingsondersteuning wordt al snel als een ongewenste vorm van staatsbemoeienis beschouwd.

En dat is jammer, vindt Veldkamp, want ,,de maatregelen hebben juist tot doel te voorkomen dat kinderen in omstandigheden komen die overheidsinterventie (…) noodzakelijk maken”.

Anders dan in de Verenigde Staten, waar president Bush in april opriep tot een jaarlijkse National Child Abuse Prevention Month voelt de Nederlandse regering vooralsnog weinig voor structurele preventieprogramma’s. Op het gebruik van de term `kindermishandeling’ rust zelfs onder hulpverleners een taboe, constateert Jaap Doek, hoogleraar jeugdrecht aan de Vrije Universiteit.

Doek is voorzitter van een internationale commissie die toeziet op naleving van het VN-verdrag voor de rechten van het kind, dat in Nederland in 1995 van kracht werd. ,,Kindermishandeling is een impliciet-beschuldigend woord dat niet apelleert aan de Nederlandse gewoonte om met verkleinwoordjes problemen hanteerbaar te houden.”

`Opvoedingsproblemen’ klinkt een stuk neutraler. En het is dan ook niet verwonderlijk dat juist onder die noemer de afgelopen jaren een aantal projecten ter voorkoming van (onder meer) kindermishandeling van start ging.

Zo experimenteert de universiteit van Leiden met wijkverpleegkundigen die een paar maanden lang ouders met opvoedingsproblemen bezoeken. De universiteit van Wageningen doet intussen onderzoek naar het effect van Moeders Informeren Moeders (MIM), waarbij vrouwen uit het hele land worden gekoppeld aan ,,sociaal geïsoleerde” gezinnen uit een vergelijkbaar milieu.

Van God los

Over de gevolgen van kindermishandeling wordt ondertussen steeds meer bekend. Kindermishandeling kan op den duur leiden tot concentratieverlies, psychosomatische klachten, drugs- en alcoholverslaving, relatieproblemen en – in extreme gevallen – tot zelfmoord of een posttraumatische stressstoornis (PTSS).

Ook zijn er de laatste jaren steeds meer aanwijzingen dat kindermishandeling de ontwikkeling van de hersenen negatief kan beïnvloeden. Amerikaanse onderzoekers stelden vast dat de linkerhersenhelft van volwassenen die in hun jeugd mishandeld waren onvolledig ontwikkeld was, met als gevolg zowel cognitieve, sociaal-emotionele als gedragsmatige stoornissen.

Bij Karin Vermeulen werd, toen zij het ouderlijk huis verlaten had, een zware depressie vastgesteld. ,,Ik had een kamer gehuurd in een oud, vies studentenhuis met allemaal kunstzinnige types. Ik voelde niets meer, at niets meer, hing de hele dag voor de tv en raakte verstrikt in destructieve relaties. Ik kopieerde wat ik al die jaren gezien had.”

Van God los – zo omschrijft ze haar gevoel in die tijd. ,,Ik weet nog dat ik dacht: als er een pil is, slik ik hem. Ik voelde me zó nutteloos, leeg en donker in die tijd.”

Na een zes jaar lange conventionele therapie kwam Vermeulen in contact met een biodynamisch therapeute. ,,Die leerde mij dat je de pijn van toen eerst moet kunnen voelen, voor je schoon schip kunt maken. Dat was mijn redding, anders was ik er niet meer geweest.” Ze beschouwt zichzelf nu als ,,een gevoelig, maar emotioneel rijk mens”.

In de winter trouwt Vermeulen met haar vriend en als alles volgens plan verloopt, krijgt zij volgend jaar haar eerste kind. ,,Mijn kinderen wil ik vooral openheid bijbrengen”, zegt zij gedecideerd. ,,Ik wil niet dezelfde fouten maken als mijn ouders.” Haar advies aan toekomstige ouders die als kind zelf mishandeld zijn: je bewust worden van je eigen pijn. ,,Dat is de enige manier om de cyclus te doorbreken.’

Het gezin als gevangenis
Waarom Nederland niet wil weten dat er elk jaar vijftig `Rowena’s’ zijn.
door Danielle Pinedo

Doet de Nederlandse overheid genoeg tegen ouders die hun kinderen mishandelen? Over brandende sigarettenpeuken, een jaar wachttijd en het taboe op staats- opvoeding.

Als kind had Karin Vermeulen (29) nachtmerries. Dan was ze getuige van marteling. Of stond ze in de frontlinie van een oorlog. ,,Er was dreiging”, herinnert ze zich. Gevaar. Angst. ,,Mijn onderbewuste draaide ‘s nachts overuren.” Maar ook overdag voelde zij zich niet veilig.

Zodra haar vader de oprijlaan opkwam, ruimde haar moeder in sneltreinvaart de kamer op. Op het moment dat hij de sleutel in het slot stak, was de televisie uit en zaten zij en haar broer kaarsrecht op de bank.

Ze waren met zijn vieren thuis. Zij, haar oudere broer, haar moeder en haar vader, die directeur was van een goedlopend automatiseringsbedrijf. Alles draaide om hem. De aanblik van een rondslingerende schoen was soms al voldoende voor een scheldpartij. Of een lege voederbak naast een hondenmand. Dan schreeuwde haar vader naar haar moeder. Dat ze niet kon koken, dat ze dom was, dat ze niets van haar leven terechtbracht. Een enkele keer kwam het tot fysiek geweld. Maar dat was ‘s nachts, buiten het blikveld van de kinderen.

Vermeulen woont nu in een middelgrote gemeente in midden-Nederland. Na de heao-opleiding communicatie schreef zij zich in voor een opleiding alternatieve geneeswijzen in de hoop dat ze op den duur een eigen praktijk zou kunnen beginnen.

Als kind van acht kwam Vermeulen met haar broertje na school vaak thuis in een leeg huis. Dan was haar moeder op de golfbaan: ,,Daar kon zij zich bewijzen, daar werd ze gerespecteerd.”

Haar vader was eigenlijk heel kwetsbaar. Hij kwam, toen ze twaalf was, ‘s nachts weleens bij haar uithuilen. Vermeulen gaf hem op zo’n moment advies, vervulde de ouderrol. Dan raadde ze hem bijvoorbeeld aan om zich opener op te stellen tegenover haar moeder. Te zéggen dat hij het fijn vond als zij hem aanraakte. ,,Ik voelde zijn kwetsbaarheid heel goed aan. Dat gaf mij een machtsgevoel, maar het klopte niet.”

Dat haar leven thuis anders was dan dat van leeftijdsgenoten begon Vermeulen pas te dagen toen ze puber was. Met steeds meer tegenzin ging ze na schooltijd naar huis. En toen zij via haar huisarts in contact kwam met een psychiater – ze was zeventien – ontdekte zij hoeveel zij tekort was gekomen. ,,Als ik mijn ei kwijt wilde”, zegt Vermeulen, ,,moest ik zorgen dat ik een goed verhaal had. Ik moest veel moeite doen om aandacht en liefde van mijn moeder te krijgen.”

Wat Vermeulen overkwam heet kindermishandeling, al neemt ze de term zelf niet graag in de mond. ,,Dat riekt al snel naar daders en slachtoffers en ik denk niet graag in die termen. Ouders hebben óók hun voorgeschiedenis, vaak wéten ze gewoon niet beter.”

Maar in het standaardwerk over kindermishandeling – Wie zal de opvoeders opvoeden? Kindermishandeling en het recht van het kind op persoonswording (1999) – heet het overdag alleen achterlaten van een kind `fysieke verwaarlozing’. Wanneer de ene ouder meermalen minachtende opmerkingen maakt over de ander, het kind consequent genegeerd wordt of de ouderrol moet vervullen, is volgens auteur Jan Willems sprake van `emotionele maltraitering’.

Beide varianten vallen onder kindermishandeling, waartoe ook lichamelijke mishandeling (veelvuldig schoppen en slaan), lichamelijke verwaarlozing (onthouden van voedsel, kleding, medicijnen) en seksueel misbruik worden gerekend.

Naar schatting van de Raad voor de Kinderbescherming worden elk jaar 50.000 kinderen in Nederland mishandeld. Vijftig van hen overleven die mishandeling niet, zegt diezelfde raad.

Dat klinkt als onwaarschijnlijk veel. Maar als je je baseert op schattingen van Amerikaans onderzoek, gaat het om 80.000 gevallen per jaar, meent Jan Willems, docent internationaal recht aan de Universiteit van Maastricht. Feiten ontbreken.

In Nederland is – afgezien van een studie naar seksueel misbruik onder meisjes, eind jaren tachtig – nooit grootschalig onderzoek verricht naar kindermishandeling. ,,Die vijftig overleden kinderen werden dood geslagen, of stierven door verwaarlozing”, zegt Willems. ,,Maar we weten niet hoeveel baby’s door een gebrek aan koestering overlijden. Of hoeveel kleuters verdrinken als gevolg van een consequent gebrek aan toezicht. En de vraag is of die gevallen als kindermishandeling worden herkend.”

Een enkele keer haalt kindermishandeling de krantenkolommen. En dan valt het bericht in de categorie van `ongelooflijke verhalen, uitzondelijke incidenten’. Zoals een Haagse moeder die vier jaar geleden haar driejarige dochter zó had verwaarloosd, dat zij kon praten noch lopen en nog nooit naar buiten was geweest.

Een baby uit Zoetermeer – binnen een half jaar vier keer opgenomen in een ziekenhuis, de laatste keer met hersenletsel. Pas na de vierde keer hield de politie de twintigjarige vader aan die de baby had mishandeld.

Of de zaak-Rowena Rikkers: in augustus vorig jaar vond een visser bij Hoek van Holland haar hoofd. Het vierjarige meisje is volgens het openbaar ministerie door haar stiefvader en moeder mishandeld en uiteindelijk in stukken gesneden – komende week begint de rechtszaak.

Het incident in Roermond. Een vader bekende dat hij na een ruzie met zijn vrouw het huis in brand had gestoken. Zes kinderen kwamen daarbij om.

Grote gedogen

Over kindermishandeling staat een ding wél vast. Burgers en hulpverleners vragen steeds sneller advies of raad als zij vermoeden dat een kind wordt mishandeld.

Kwamen er bij de veertien Advies & Meldpunten Kindermishandeling (AMK’s) in 1997 nog 8.438 telefoontjes binnen van bezorgde buren, leraren, en artsen, vorig jaar was dat aantal verdubbeld tot 16.791. Maar het is een misvatting op basis van deze cijfers te concluderen dat kindermishandeling in Nederland is toegenomen, zegt Gert van Harten, directeur van het AMK in Gelderland. ,,Nee, de bereidheid om over kindermishandeling te praten neemt langzaam toe. Het grote gedogen is voorbij.”

In de meeste gevallen (éénvijfde) gaat het om lichamelijke mishandeling. Hersenbeschadiging. Oogletsel. Oorschade. Gebroken botten, brandwonden, uitgedrukte sigarettenpeuken. Zo weet Van Harten dat een baby van zeven weken met zeven botbreuken allang geen zeldzaamheid meer is in Nederland.

Seksueel misbruik staat met 18,5 procent op de tweede plaats, gevolgd door emotionele verwaarlozing (17,5 procent). Er worden iets meer vermoedens over mishandeling bij meisjes dan bij jongens geuit. In het merendeel van de gevallen gaat het om kinderen in de leeftijd van drie tot elf jaar.

Ondanks het stijgende aantal adviezen en consulten (die anoniem mogen worden gegeven door de meldpunten) bleef het aantal meldingen van kindermishandeling – jaarlijks zo’n vijf- à zesduizend – vrij constant. Meldingen worden altijd grondig onderzocht door de meldpunten.

Blijkt dat er sprake van mishandeling is, dan zoekt zo’n meldpunt hulp. Voor hulp zijn mishandelde kinderen – maar ook hun ouders – aangewezen op de jeugdzorg, de Geestelijke Gezondheids Zorg-instellingen (GGZ) en het algemeen maatschappelijk werk. Alleen slachtoffers van seksueel misbruik kunnen een beroep doen op speciale voorzieningen, zoals lotgenotengroepen.

In de twee jaar dat ze bestaan zijn de meldpunten een tamelijk effectief instrument gebleken om kindermishandeling in een vroegtijdig stadium op te sporen. Maar de bureaus dreigen aan hun eigen succes ten onder te gaan; alle meldpunten kampen met wachtlijsten.

Over de wachttijden doen de bureaus geheimzinnig, maar ingewijden constateren dat het soms een jaar duurt voordat iemand geholpen wordt. Onderzoek van het Landelijk Platform Jeugdzorg vorig jaar onderstreept dat: maar liefst 93 procent van de meldpunten vindt dat de wachttijden bij de overdracht van een mishandelingszaak door jeugdzorg of de Raad voor de Kindermishandeling ,,onaanvaardbaar” of ,,alarmerend” zijn.

In de praktijk blijkt dat het hulpaanbod weinig samenhangend is en sterk afhankelijk van personen. Daardoor kan mishandeling binnen een gezin soms jarenlang voortduren, omdat alle partijen ervan uitgaan dat `de andere instantie’ het probleem wel zal aankaarten.

Zo was het Roermondse gezin al jaren bekend bij hulpverleners – de Riagg, de jeugdzorg, de kinderbescherming, ja zelfs bij de burgemeester. Ze waren er allemaal bij betrokken, maar ,,wat mensen doen, heb je niet in de hand”, reageerde de burgemeester.

Opmerkelijk is dat het nieuwe kabinet een staatssecretaris van gezinszaken heeft aangesteld en in het `strategisch akkoord’ erkent dat kindermishandeling een maatschappelijk probleem is.

Het kabinet streeft naar ,,een verbetering van preventie en repressie van kindermishandeling en van zedendelicten ten aanzien van kinderen”. Met welke maatregelen, dat is aan de nieuwe minister en staatssecretaris. Ex-Kamerlid Els Meijer (VVD) spreekt van ,,een absolute doorbraak”. In de vorige regeringsperiode bleek het nog niet eens mogelijk een algemeen overleg over het onderwerp te organiseren.

Kindermishandeling is geen onderwerp waar je in Den Haag mee kunt scoren, zegt vrijgevestigd psychiater Andries van Dantzig. Als voorzitter van de Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling (RAAK) heeft hij de Tweede Kamer de afgelopen twee jaar bestookt met folders om het thema op de politieke agenda te krijgen. Kinderen zijn volgens de psychiater een onderdrukte minderheid.

Vorige maand had Van Dantzigs actie resultaat. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegde een bedrag van 750.000 euro toe voor een proefproject waaraan schoolartsen, huisartsen en consultatiebureaus gaan meedoen. ,,Zij moeten de intellectuele en emotionele voortgang van kinderen nauwgezet gaan volgen”, zegt Van Dantzig.

Koffiemok

Het is dinsdagochtend als vrijwilligster Ria Hulsmeijers haar fiets tegen het huis aanzet van Chris Ikkink (32). Chris Ikkink is bijstandsmoeder. Drie kinderen heeft ze (13 jaar, 4 jaar en 3 maanden). Ze woont in een volkswijk aan de rand van Hengelo.

Van mishandeling is in het gezin van Ikkink geen sprake, maar ze behoort volgens hulpverleners tot een risicogroep. Daarom krijgt ze wekelijks bezoek van een vrijwilliger van Home Start, een project dat is overgewaaid uit Groot-Brittannië.

Vorig jaar bezochten 940 vrijwilligers van de organisatie elke week 1.410 gezinnen. Deze gezinnen hebben veel gemeen. Constanten zijn alleenstaand ouderschap, een slechte financiële situatie, alcohol- en drugsverslaving of ouders die in hun jeugd zelf mishandeld zijn.

,,Hou is het nou met je?”, vraagt de vrijwilligster Ria Hulsmeijers aan Ikkink.

,,Hij ontkent het”, zucht Ikkink, terwijl zij Hulsmeijers een koffiemok in handen drukt.

,,Hij ontkent wat?”

,,Dat hij Sjors verwekt heeft. Hij is zwaar in ontkenning.”

,,Je hoort nooit wat van je ex?”

,,Jawel, maar als hij komt, maakt hij problemen. Zelfs als ik er niet ben. Dan tref ik bij thuiskomst een kapotte wasmolen aan. Of een lekgeprikte fietsband.”

,,Hij treitert…”

,,Ja, Anton is geen lieverdje. Hij is klein van stuk, maar ontiegelijk agressief. En onvoorspelbaar. Ik ben wel eens bang dat hij de deur intrapt, Sjors uit de box grist en wegvlucht naar het buitenland.”

,,Heb je daar aanwijzingen voor? Heeft hij daarmee gedreigd?”

,,Nee. Maar hij doet er alles aan om mij op de kast te jagen. Koopt de kinderen om met dure cadeaus. Mama heeft geen geld, zegt hij dan. Kom maar bij papa wonen.”

Ikkinks kinderen hebben allemaal een andere vader. Met twee van hen onderhoudt de Hengelose contact. Met de derde leeft zij op voet van oorlog. Maar geen van de vaders bemoeit zich intensief met de opvoeding van zijn kind.

,,Ik heb geen werk, mijn ouders zijn overleden toen ik jong was en ik heb weinig vrienden”, verzucht Ikkink. ,,Daardoor leef ik tamelijk geïsoleerd. Dan weet je op het laatst niet meer waar je het zoeken moet, hoor. Dan ben je rijp voor een inrichting.”

De ontmoetingen tussen Ikkink en Hulsmeijers zijn nooit spectaculair – ,,We doen de afwas, of kletsen wat op de bank” – maar de Hengelose zegt er veel baat bij te hebben. ,,Het is fijn als iemand van buiten met je meedenkt en zegt dat je het – gegeven de situatie – goed doet.”

Ze praten veel. Over Ikkinks lichamelijke conditie (,,Een kopje afwassen is me al te veel”), over haar slechte financiële situatie (,,Ik moet rondkomen van 60 euro in de week, ik kan geen kant op”) en over haar vluchtgedrag (,,Ik wil emigreren, dit land is mij te drukbevolkt”). De opvoeding komt alleen zijdelings ter sprake, bijvoorbeeld als een kind opvallend gedrag vertoont.

Zo legt Ikkink aan het bezoek uit dat vierjarige Chantal zich normaal niet zo voorbeeldig gedraagt. ,,Als we alleen zijn, knalt ze na schooltijd de deur open en begint te commanderen.”

,,Misschien kan je het ook anders bekijken”, oppert Hulsmeijers. ,,Een kind wil zich gewoon afreageren. Jíj bent toch de volwassene?”

Ikkink schudt haar hoofd. ,,Nee, dat lukt mij niet. Ik ben altijd moe, moe, moe. En geloof me, Chantal kan meedogenloos zijn. Juist als ik mij klein voel, pakt ze me. Ze weet mijn zwakke plek feilloos te vinden.”

Staatsopvoeding

Dat Home Start een van oorsprong buitenlands project is, is niet toevallig. In Nederland heerst van oudsher de opvatting dat opvoeding van kinderen geen overheidstaak is. Dat ingrijpen in opvoeding de rechten en vrijheden van ouders aantast.

In vergelijking met andere westerse landen neemt Nederland daardoor een te afwachtende houding aan waar het de bescherming van kinderen betreft, zo concludeerde onderzoeker A. Veldkamp vorig jaar in zijn onderzoek Over grenzen. Waar België, Engeland, Ierland, Nieuw Zeeland en Duitsland hun aandacht de afgelopen jaren verlegden van repressie naar preventie van kindermishandeling, blijft de Nederlandse overheid krampachtig vasthouden aan de uit het begin van de twintigste eeuw stammende wetgeving over jeugdbescherming.

Anders dan in de Scandinavische landen is de `pedagogische tik’ in Nederland nog altijd niet verboden. En hebben artsen vooralsnog geen meldplicht als blijkt dat hun patiëntjes thuis mishandeld worden. Ook opvoedingsondersteuning wordt al snel als een ongewenste vorm van staatsbemoeienis beschouwd.

En dat is jammer, vindt Veldkamp, want ,,de maatregelen hebben juist tot doel te voorkomen dat kinderen in omstandigheden komen die overheidsinterventie (…) noodzakelijk maken”.

Anders dan in de Verenigde Staten, waar president Bush in april opriep tot een jaarlijkse National Child Abuse Prevention Month voelt de Nederlandse regering vooralsnog weinig voor structurele preventieprogramma’s. Op het gebruik van de term `kindermishandeling’ rust zelfs onder hulpverleners een taboe, constateert Jaap Doek, hoogleraar jeugdrecht aan de Vrije Universiteit.

Doek is voorzitter van een internationale commissie die toeziet op naleving van het VN-verdrag voor de rechten van het kind, dat in Nederland in 1995 van kracht werd. ,,Kindermishandeling is een impliciet-beschuldigend woord dat niet apelleert aan de Nederlandse gewoonte om met verkleinwoordjes problemen hanteerbaar te houden.”

`Opvoedingsproblemen’ klinkt een stuk neutraler. En het is dan ook niet verwonderlijk dat juist onder die noemer de afgelopen jaren een aantal projecten ter voorkoming van (onder meer) kindermishandeling van start ging.

Zo experimenteert de universiteit van Leiden met wijkverpleegkundigen die een paar maanden lang ouders met opvoedingsproblemen bezoeken. De universiteit van Wageningen doet intussen onderzoek naar het effect van Moeders Informeren Moeders (MIM), waarbij vrouwen uit het hele land worden gekoppeld aan ,,sociaal geïsoleerde” gezinnen uit een vergelijkbaar milieu.

Van God los

Over de gevolgen van kindermishandeling wordt ondertussen steeds meer bekend. Kindermishandeling kan op den duur leiden tot concentratieverlies, psychosomatische klachten, drugs- en alcoholverslaving, relatieproblemen en – in extreme gevallen – tot zelfmoord of een posttraumatische stressstoornis (PTSS).

Ook zijn er de laatste jaren steeds meer aanwijzingen dat kindermishandeling de ontwikkeling van de hersenen negatief kan beïnvloeden. Amerikaanse onderzoekers stelden vast dat de linkerhersenhelft van volwassenen die in hun jeugd mishandeld waren onvolledig ontwikkeld was, met als gevolg zowel cognitieve, sociaal-emotionele als gedragsmatige stoornissen.

Bij Karin Vermeulen werd, toen zij het ouderlijk huis verlaten had, een zware depressie vastgesteld. ,,Ik had een kamer gehuurd in een oud, vies studentenhuis met allemaal kunstzinnige types. Ik voelde niets meer, at niets meer, hing de hele dag voor de tv en raakte verstrikt in destructieve relaties. Ik kopieerde wat ik al die jaren gezien had.”

Van God los – zo omschrijft ze haar gevoel in die tijd. ,,Ik weet nog dat ik dacht: als er een pil is, slik ik hem. Ik voelde me zó nutteloos, leeg en donker in die tijd.”

Na een zes jaar lange conventionele therapie kwam Vermeulen in contact met een biodynamisch therapeute. ,,Die leerde mij dat je de pijn van toen eerst moet kunnen voelen, voor je schoon schip kunt maken. Dat was mijn redding, anders was ik er niet meer geweest.” Ze beschouwt zichzelf nu als ,,een gevoelig, maar emotioneel rijk mens”.

In de winter trouwt Vermeulen met haar vriend en als alles volgens plan verloopt, krijgt zij volgend jaar haar eerste kind. ,,Mijn kinderen wil ik vooral openheid bijbrengen”, zegt zij gedecideerd. ,,Ik wil niet dezelfde fouten maken als mijn ouders.” Haar advies aan toekomstige ouders die als kind zelf mishandeld zijn: je bewust worden van je eigen pijn. ,,Dat is de enige manier om de cyclus te doorbreken.’