DutchEnglishFrenchGerman
Kinderen zijn onze toekomst, daar moeten we zuinig op zijn

Latere vaststelling of wijziging

Een latere vaststelling of wijziging (Burgerlijk Wetboek)

Indien een in onderling overleg afgesproken regeling vastloopt c.q. eenzijdig door de oudervoogd wordt stopgezet, dient eerst langs de weg van onderling overleg c.q. bemiddeling geprobeerd te worden de regeling weer uitgevoerd te krijgen.

Advocaten dienen daarop in de eerste plaats hun inspanningen te richten. Pogingen in deze richting dienen zo concreet mogelijk te zijn. Vaag en/of onduidelijk getelefoneer over en weer is vaak ook later nog een bron voor welles-nietes spelletjes.

Besteed niet te veel tijd aan pogingen die slechts blijken te mislukken (overigens: niet bij voorbaat al aannemen dat het toch niet zal lukken). Als na zes maanden de omgangsregeling nog steeds niet op gang is gekomen, wordt het tijd om een verzoekschrift in te dienen. N.B.: dat is geen plicht! Ouders hebben de vrijheid af te spreken dat een pauze in de contacten wordt ingelast.

Leg dergelijke afspraken duidelijk vast en probeer ook vast te leggen hoe dan na verloop van tijd getracht zal worden de omgang weer op gang te brengen (bijv. wie het initiatief neemt; wanneer; wie eventueel bemiddelt enz.).

Als een ouder vraagt om een (latere) vaststelling van een omgangsregeling door de kinderrechter nadat er geruime tijd (bijv. meer dan een half jaar) geen enkel contact is geweest, moet hij/zij er rekening mee houden:

– dat vaststelling, zelfs van een voorlopige omgangsregeling, bij de eerste behandeling van het verzoek niet zonder meer verwacht mag worden; factoren die een rol spelen zijn houding van de oudervoogd, de kinderen; de periode zonder contact;

– dat vaststelling van een – voorlopige/proef – regeling kan worden bevorderd, Indien er de bereidheid is het contact weer stap voor stap op te bouwen en Indien er – voorzover het contact tussen de ouders erg moeizaam verloopt – een concrete ook voor de oudervoogd aanvaardbare bemiddelaar is;

– dat bij gebrek aan concrete suggesties/voorstellen van de zijde van de verzoeker een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming en een aanhouding de meest waarschijnlijke resultaten van een eerste behandeling van het verzoek zijn.

Als wijziging van een omgangsregeling nodig wordt geacht door een van de ouders geldt opnieuw als eerste regel, dat moet worden getracht dit in onderling overleg te regelen.
Ook hier dienen advocaten waar het maar enigszins mogelijk lijkt een bemiddelende rol te spelen, zonodig onder verwijzing naar een hulpverlenende instantie of naar de raad voor de kinderbescherming.

Eerst als dergelijke pogingen geen resultaat hebben, kan een verzoek tot wijziging worden ingediend. Er dient in dit verband een onderscheidt te worden gemaakt tussen verzoeken tot uitbreiding en verzoeken tot vermindering c.q. opheffing van de omgangsregeling.

Verzoeken tot uitbreiding: met de indiening van dergelijke verzoeken dient enige voorzichtigheid te worden betracht. De praktijk leert nl. helaas, dat door en na de indiening van zo’n verzoek de bestaande omgangsregeling in gevaar komt.

Indien het overleg over de uitbreiding is mislukt en de ouder-niet-voogd dient vervolgens een verzoek in bij de kinderrechter om langs die weg de uitbreiding toch ‘af te dwingen’, dan kan dit leiden tot een meer of minder openlijk bemoeilijken van de bestaande omgang door de oudervoogd.

Dit betekent niet dat een verzoek derhalve niet gedaan behoort te worden; er zijn oudervoogden die nauwelijks tot overleg bereid zijn c.q. een redelijk verzoek tot uitbreiding botweg afwijzen.

Vorenbedoeld risico dient men echter wel onder ogen te zien voordat een verzoek tot uitbreiding wordt ingediend; de prijs zou wel eens te hoog kunnen zijn.

Verzoeken tot vermindering: het spreekt vanzelf dat een dergelijk verzoek op zeer goede gronden dient te berusten. Dit geldt zeker voor een verzoek tot opheffing.

Een dergelijk verzoek zal veelal (d.w.z. zeldzame uitzonderingen daargelaten) eerst worden ingewilligd na een onderzoek van de raad voor de kinderbescherming.

Het eenzijdig stopzetten van een omgangsregeling door de ouder voogd – iets wat in dergelijke gevallen nogal eens voorkomt – is slechts gerechtvaardigd, indien dit ter voorkoming van evidente schade bij het kind geboden is.

Overleg met de raad voor de kinderbescherming, alvorens zo’n besluit te nemen, is dringend aan te bevelen. Het stopzetten van de omgangsregeling (of het verminde ren ervan) om de andere ouder te ‘straffen’ (bij v. omdat hij/zij niet (voldoende) meewerkt aan een boedelscheiding of omdat hij zijn alimentatie niet meer betaalt) behoort door een kinderrechter niet te worden gehonoreerd.

Een dergelijk machtsmisbruik van de oudervoogd verdient tenminste ernstig te worden afgekeurd.

In dit verband ten slotte het volgende: het komt voor dat een oudervoogd met een beroep op het belang van het kind de omgangsregeling steeds verder vermindert en tenslotte stopzet. Pogingen van de ouder-niet-voogd om daarin verandering te brengen mislukken en als een soort laatste middel spant die ouder dan een kort geding aan teneinde, veelal met een dwangsom, naleving van de omgangsregeling af te dwingen.

Het komt dan nogal eens voor dat de oudervoogd als antwoord daarop snel een verzoek tot vermindering of opheffing van de omgangsregeling bij de kinderrechter indient. Dit leidt er veelal toe, dat het kort geding strandt en de strijd bij de kinderrechter wordt voortgezet.

De oudervoogd had het vermindering- c.q. opheffingsverzoek veelal reeds maanden eerder kunnen indienen. Door eerst de andere ouder te ‘dwingen’ tot een kort geding wordt een m.i. afkeurenswaardige vertragingstactiek en escalatie toegepast. Als voogd verdient zo’n ouder een onvoldoende.

Immers, indien een vermindering of opheffing van de omgangsregeling werkelijk in het belang van de kinderen nodig is en de andere ouder staat desalniettemin op naleving van de vastgestelde regeling, dan dient die oudervoogd in het belang van de kinderen de zaak aan de kinderrechter voor te leggen.

Ten slotte: de kindergriffie dient zodanig te zijn georganiseerd, dat een verzoek als hiervoor bedoeld zo spoedig mogelijk (bij voorkeur + l maand na indiening) een eerste behandeling krijgt. Ook advocaten dienen daaraan mee te werken.

Al te gemakkelijke verzoeken om aanhouding dienen achterwege te blijven; waar nodig en mogelijk dient in geval van verhindering een kantoorgenoot op te treden.

Slordigheden zoals het niet oproepen van de tegenpartij (de gerekwestreerde) zijn meer dan alleen maar betreurenswaardig. Ik zwijg dan maar van die gevallen waarin appeltermijnen als gevolg van dergelijke ‘slordigheden’ worden overschreden.