DutchEnglishFrenchGerman
Kinderen zijn onze toekomst, daar moeten we zuinig op zijn

Omgangsrecht III

De oudervoogd, het omgangsrecht en andere rechten ex Art. 8 E.V.R.M.

Het is voldoende duidelijk dat het omgangsrecht als een recht van het kind verplichtingen schept voor de oudervoogd. Zijn verantwoordelijkheid als ouder en vooral als gezagsdrager (voogd) brengt met zich mee, dat hij tot taak heeft te bevorderen dat dit recht door het kind ook metterdaad kan worden uitgeoefend.

Hij dient zich te onthouden van die gedragingen die een belemmering voor die uitoefening opleveren; tevens dient hij het kind waar nodig via een goede voorlichting over het belang en de betekenis van een regelmatig contact te helpen bij de uitoefening van dit recht.

Dit betekent overigens niet dat een oudervoogd verplicht is het kind daadwerkelijk (d.w.z. door het aanwenden van fysieke kracht) te dwingen tot een contact met de andere ouder als dit kind blijft bij zijn standpunt dit contact niet te willen.

Dit wel met de kanttekening dat een oudervoogd niet moet bezwijken voor de verleiding met incidentele bezwaren van het kind mee te gaan met als modern klinkend argument: ik laat de kinderen helemaal vrij! Kortom: geen negatieve, maar integendeel een positieve beïnvloeding mag van de oudervoogd worden verwacht.

Het komt echter voor dat de oudervoogd op grond van zijn eigen ervaringen met de andere ouder, als partner en/of ouder, een positieve houding niet kan opbrengen en zelfs niet in Staat is een negatieve beïnvloeding te vermijden.

Ik meen dat van een oudervoogd verwacht mag worden dat hij probeert die negatieve gevoelens en/of angst, voorzover voortvloeiend uit ervaringen uit het verleden, te boven te komen. Het komt echter ook voor dat het doorgaande gedrag van de andere ouder, die negatieve houding blijft voeden.

Met name die ouder-niet-voogden die zich niet behoorlijk aan de gemaakte afspraken houden en daardoor in het gezin van de oudervoogd grote onrust verwekken of door veelvuldige, onaangekondigde, bezoeken of telefoontjes de privacy van het gezin van de oudervoogd aantasten, kunnen aanleiding geven voor een terecht beroep van de oudervoogd op zijn recht ‘to respect for his family life’.

Ik heb hier voor reeds opgemerkt dat in dergelijke gevallen veelal een beroep wordt gedaan op het belang van het kind, dat door die onrust en spanning zou worden geschaad.

Maar ik acht een zelfstandig beroep van de oudervoogd op zijn uit artikel 8 E.V.R.M. voortvloeiende rechten zeer wel mogelijk. Ook die rechten verdienen bescherming. Anders gezegd; ik acht het niet uitgesloten dat de wijze waarop de ouder-niet-voogd het omgangsrecht (en de daarbij behorende overlegcontacten) in praktijk brengt zodanig kan zijn, dat dit – hoewel het kind niet duidelijk schadend – een schending betekent van het recht van de oudervoogd ‘to respect his family life’.

Op grond van dit (ook) voor de oudervoogd uit artikel 8 E.V.R.M. voortvloeiende recht zou deze om een beperking of zelfs om een ontzegging van de uitoefening van het omgangsrecht door de andere ouder kunnen vragen.

Gevallen waarin een dergelijk verzoek is gedaan zijn voorzover mij bekend in de rechtspraak nog niet behandeld. Het lijkt mij overigens gewenst dat in toekomstige wetgeving ook met dit aspect rekening wordt gehouden.

Voor de duidelijkheid nog een opmerking tot slot. In sommige publicaties is het standpunt verdedigd dat het beter zou zijn een wettelijke regeling van de omgang na een echtscheiding achterwege te laten c.q. af te schaffen.

Een opvatting, die mede gebaseerd is op de mening van de gezaghebbende auteurs Goldstein, Freud en Solnit dat de oudervoogd na een scheiding het recht behoort te hebben zelf te beslissen of het voor het kind wenselijk is contact met de andere ouder te onderhouden.

In het licht van het hiervoor besproken artikel 8 E.V.R.M. kan over dit standpunt worden gezegd:

– dat strikt juridisch gezien een wettelijke regeling in ons BW overbodig genoemd zou kunnen worden, omdat in dat artikel dit omgangsrecht reeds in beginsel is verankerd;

– dat dit artikel 8 E.V. echter ter wille van de nodige duidelijkheid een nadere regeling van het omgangsrecht in ons BW dringend gewenst maakt.

Het komt mij voor dat de tegenstanders van een erkenning van het omgangsrecht en een nadere wettelijke regeling in ons BW een nutteloze strijd voeren.