DutchEnglishFrenchGerman
Kinderen zijn onze toekomst, daar moeten we zuinig op zijn

Raadsrapporten

Een Raadsrapport

Hoe schrijft een medewerker van de Raad zijn Raadsrapport

De conclusies zijn leidraad bij het schrijven van het rapport. De conclusie (ook wel: raadsvisie) wordt aan het eind van het rapport vermeld. Voordat de raadsonderzoeker echter begint met schrijven, weet hij al wat zijn conclusies zullen zijn. Dat is ook het belangrijkste gedeelte: hoe nu verder? De raadsonderzoeker moet het rapport TOESCHRIJVEN naar deze raadsvisie.

Alle zijpaden, andere overwegingen, losse einden, en mogelijke alternatieve verklaringen worden in het rapport vermeden. Met dit rapport neemt de Raad voor de Kinderbescherming stelling. Het moet in een rit – zonder zijsporen en wissels – duidelijk zijn waarom die stelling stellingname wordt ingenomen. Hoe meer zijsporen, hoe vager en onduidelijker het rapport, en des te meer afbreuk er aan de stellingname, de visie van de Raad wordt gedaan.

1. Vaders procedureel worden achtergesteld door de Raad voor de Kinderbescherming en kinderrechter bij onderzoek naar gezag en omgang na echtscheiding.

(Om dit te verhullen worden in sommige gevallen moeders ten onrechte keihard door de Raad aangepakt met veel machtsvertoon.) moeders procedureel worden achtergesteld door de Raad voor de Kinderbescherming bij kinderbeschermingsmaatregelen en moeders bij deze zaken schandalig door de kinderbescherming worden behandeld met name waar het gaat om omgang tussen moeder en een kind dat uithuis is geplaatst.

2. Kinderen bij kinderbeschermingsmaatregelen procedureel worden achtergesteld.

Dit omdat kinderen een procureur nodig hebben om omgaan te vragen met vader, moeder, broer of zus, oma of opa en de GVI weigert kinderen een procureur ter beschikking te stellen. (Uitzondering geen procureur nodig als er al een beschikking omgangsregeling is tussen kind en omgangsgerechtigde.) Als een rode draad bij omgangsonrecht zie je in de meeste zaken dat de kinderrechter en de Raad voor de Kinderbescherming hun verantwoordelijkheid ontlopen en het probleem omgang tussen het kind en de ouder niet belast met het gezag door proberen te schuiven.

3. Het haalbaarheidsbeginsel als verkapte ontzeggingsgrond.

4. De Raad voor de Kinderbescherming als oplichter en geldwolf.

De Raad adviseert vader voor omgang naar de rechtbank te gaan. Vader vraagt om omgang bij de rechtbank. De rechtbank verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek of vader wel met zijn kinderen kan omgaan. De Raad doet onderzoek en adviseert de rechter geen probleem omgang moet. De Raad heeft dan al aan een onderzoek verdient en wil nog meer verdienen en adviseert de kinderrechter nog een onderzoek maar dan met proefcontacten tussen kinderen en vader. De Raad weigert vervolgens de proefcontacten uit te voeren onder het mom de kinderen willen niet en omdat het niet in het belang is van kinderen om omgang af te dwingen en vader niet in staat is zonder beschikking tot omgang te komen moet omgang worden afgewezen omdat vader ongeschikt is voor omgang.

5. De Raad voor de Kinderbescherming schrijft selectief naar conclusie door informatie wat die past in het toeschrijven weg te laten.

In veel zaken zie je dat er prima omgang is tussen vader en kinderen voor de scheiding wat de vader met bewijsstukken kan onderbouwen. Na de scheiding is er plotseling van alles mis met vader. De kinderrechter en Raad voor de Kinderbescherming weigeren op de hoorzitting te controleren hoe het nu mogelijk is dat voor de scheiding prima contact was tussen vader en kinderen en na de scheiding niet meer en daar dieper op in te gaan. De Raad weigert in het raadsonderzoek en rapport de bewijsstukken van prima omgang in die periode op te nemen en te vermelden om vervolgens na te gaan hoe het komt dat daarna geen prima omgang meer mogelijk is tussen vader en kinderen.

6. De Raad voor de Kinderbescherming pleegt valsheid in geschrifte.

Door de kinderrechter en Raad voor de Kinderbescherming wordt beweert dat er geen omgang en prima contact tussen vader en kinderen is geweest tijdens een bepaalde periode hoewel vader bewijsstukken kan overleggen van prima contact tussen vader en kinderen. De Raad beweert dat er geen omgang is geweest in een bepaalde periode terwijl die omgang is bewijsbaar wel is geweest.

7. Het haalbaarheidsbeginsel als verkapte ontzeggingsgrond.

Tijdens proefcontacten blijkt dat er een prima omgang contact is tussen vader en kinderen. De moeder wil hierna echter niet meer meewerken onder het mom de kinderen willen niet. De Raad laat het er dan bij zitten en probeert de vader te dwingen mee te werken aan een zogenaamd deskundigenonderzoek in het kader van raadsonderzoek. De Raad heeft echter de opdracht van de kinderrechter het onderzoek uit te voeren en probeert het probleem door te schuiven naar een derde onderzoeker om zich vervolgens daarachter te verschuilen. Ook hier werkt de Raad voor de Kinderbescherming heel geraffineerd door te stellen MOEDER WERKT MEE IN HET RAADSONDERZOEK ZOALS DE RAAD DAT OPZET!

8. De zogenaamde derde deskundigen onderzoeken bij omgang.

Aan vaders en moeders wordt aangeraden hier niet aan mee te werken en van de Raad voor de Kinderbescherming te eisen dat de Raad eerst zelf het onderzoek doet en afrond met een eigen raadsrapport. De Raad voor de Kinderbescherming probeert met de inschakeling van een derde haar verantwoordelijkheid te ontlopen en verschuilt zich systematisch achter deze derde deskundige. Het is beter dat de Raad onmiddellijk zegt bij de Kinderrechter: Kinderrechter wij zijn wel de Raad voor de Kinderbescherming maar onze medewerkers zijn te stom om zelf onderzoek te doen m.b.t. omgang tussen vader en kind en daarom weigeren wij onmiddellijk dit onderzoek te doen. Wij willen dan ook niet aan dit onderzoek verdienen of valse hoop wekken. De Raad is dan eerlijk, verdient niet aan onnodig onderzoek en zegt gelijk dat hun medewerkers daar te stom voor zijn.

9. Geldklopperij veroorzaakt door de kinderrechter.

De kinderrechter zet met een beschikking een bestaande omgangsregeling geregeld met een rechterlijke beschikking stop. Er komt een zogenaamde omgangs-OTS. Dit is geldklopperij, want u als ouder niet belast met het gezag wordt overgeleverd aan een gezinsvoogdij-instelling die de ouder belast met het gezag moet steunen. Omgangsregelingen op deze manier zijn een farce en wel omdat de kinderrechter vanaf het begin geen beschikking omgangsregeling heeft bepaald die de gezinsvoogdij-instelling moet gaan uitvoeren. De vader niet belast met het gezag wordt op kosten gejaagd omdat hij een dure advocaat en procureur moet nemen om zich te verweren tegen het beleid van de GVI m.b.t. omgang. Wat je vervolgens ziet is dat de GVI geraffineerd andere gronden voor OTS gaat zoeken om te blijven verdienen aan deze OTS en verderop in de procedure gaat vaststellen dat geen omgang tussen vader en kind geen reden is voor deze OTS en als dat de enige reden zou zijn dan zou de OTS gelijk opgeheven kunnen worden.

10. Onderzoek naar omgang tussen baby en vader.

De belachelijkste onderzoeken van de Raad voor de Kinderbescherming en kinderrechter zijn de zogenaamde onderzoeken of vader na echtscheiding wel met een kind van een of twee jaar oud kan omgaan. Ook hier is er weer sprake van geldklopperij en rekken