DutchEnglishFrenchGerman
Kinderen zijn onze toekomst, daar moeten we zuinig op zijn

Vonnis Troost Oostenrijk

Gepost op 6 april 2012 | 0 Reacties
 54 R 33/12t
            REPUBLIEK OOSTENRIJKARRONDISSEMENTSRECHTBANK INNSBRUCK

 

 BESLUIT

 

         De arrondissementsrechtbank te Innsbruck, bestaande uit dr. Grössl (voorzitter) en dr. Weber en dr. Nigg als leden van de kamer, heeft in hoger beroep in de niet-contentieuze procedure van de rekwestrant Pieter Hendrik Troost, vertegenwoordigd door dr. Julia Konzett, advocate te 6020 Innsbruck, als plaatsvervangster van de benoemde procesassistent em. mr. dr. Andreas Konzett, tegen de gerekwestreerde Anouk Langbroek,  vertegenwoordigd door mr. Christine Schneider, advocate te 6020 Innsbruck, als benoemde procesassistent, wegens de tenuitvoerlegging van de bevolen teruggeleiding van de minderjarige Bernice Fleur Troost, geboren op 04-02-2003, inzake het beroep van de gerekwestreerde tegen het besluit van het kantongerecht te Innsbruck d.d. 30-01-2012, 4 Ps 152/10i-134, in niet-openbare zitting besloten:

 

Aan het beroep wordt geen gevolg gegeven.

De aangevochten beslissing wordt bekrachtigd met dien verstande dat deze als volgt dient te luiden:

“De gerekwestreerde wordt een geldboete ter hoogte van EUR 1.000,- opgelegd, indien zij niet binnen 14 dagen gehoor geeft aan het besluit van het kantongerecht te Innsbruck d.d. 08-09-2010, 4 Ps 152/10i-33, en de minderjarige Bernice Troost naar Nederland terugbrengt.”


De partijen dienen de kosten van hun conclusies ieder zelf te dragen.

Het beroep in cassatie in niet-ontvankelijk.

  MOTIVERING:

 Het gerecht in eerste aanleg heeft bij besluit d.d. 08-09-2010 de teruggeleiding van de minderjarige Bernice Troost naar Nederland bevolen. De gerekwestreerde gaf daarop geen gevolg aan het rechterlijke besluit tot teruggeleiding en bleef met de minderjarige nog steeds bij haar huidige levenspartner in Umhausen.

Bij besluit van het gerecht in eerste aanleg d.d. 02-05-2011 werd derhalve op verzoek van de rekwestrant bevolen de minderjarige onder dwang weg te halen ten behoeve van de onmiddellijke teruggeleiding van het kind naar Nederland. Aan dit bevel tot tenuitvoerlegging gingen uitgebreide voorbereidende werkzaamheden vooraf, met name werd er een vlucht naar Nederland geboekt, was de Nederlandse consul bereid om de minderjarige tijdens de vlucht naar Nederland te begeleiden en werd de ontvangst van de minderjarige door vertegenwoordigers van de Nederlandse Sociale Jeugdzorg op het vliegveld in Amsterdam geregeld. De uiteindelijk voor 04-05-2011 geplande poging om het kind onder dwang weg te halen werd echter wegens de hevige weerstand van de minderjarige afgebroken.

Nadat de vader op 19-09-2011 om de hernieuwde gedwongen uitvoering van de teruggeleiding van de minderjarige naar Nederland had verzocht, verklaarde het gerecht in eerste aanleg – nadat dit ambtshalve een psychologisch deskundigenrapport had verkregen – bij besluit d.d. 10-11-2011 de tenuitvoerlegging van het bevel tot teruggeleiding van de minderjarige naar Nederland niet-ontvankelijk.

Aan het tegen deze beslissing door de rekwestrant binnen de gestelde termijn ingediende beroep gaf de appelrechtbank gedeeltelijk gevolg voor zover als deze de beslissing van het gerecht in eerste aanleg bekrachtigde in die zin dat dit inhoudelijk de tenuitvoerlegging van de beslissing tot terugkeer in de vorm van het fysieke weghalen van het kind op dat tijdstip niet-ontvankelijk had verklaard. De appelrechtbank maakte echter de beslissing in de daarboven uitgaande omvang ongedaan, voor zover als het gerecht in eerste aanleg hierdoor ook iedere vorm van tenuitvoerlegging van de beslissing tot terugkeer als bedoeld in § 79, lid 2 van de AußStrG (Außerstreitgesetz = Oostenrijkse Wet inzake Buitengerechtelijke Procedures) eveneens niet-ontvankelijk had verklaard, en verwees de rechtszaak in zoverre voor een nieuwe beslissing na een eventuele aanvulling van de procedure terug naar het gerecht in eerste aanleg (54 R 133/11x).

In het bijzonder was de appelrechtbank van mening dat weliswaar op grond van de door de deskundige vastgestelde intensieve negatieve uitwerking op het welzijn van de minderjarige, die aan een teruggeleiding door het weghalen van het kind zijn verbonden, momenteel dient te worden afgezien van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van het in kracht van gewijsde gegane bevel tot teruggeleiding met gebruikmaking van rechtstreekse dwang volgens § 119, lid 3 AußStrG. De vraag, of echter de verdere in § 79, lid 2 AußStrG genoemde middelen van tenuitvoerlegging niet eveneens tot succes zouden kunnen leiden, namelijk tot het uitvoeren van het bevel tot teruggeleiding, heeft het gerecht in eerste aanleg tot dusverre niet getoetst evenmin als de vraag, of met dergelijke middelen van tenuitvoerlegging (aansporingen, aanmaningen, geldboetes of gijzeling), die geen rechtstreekse dwang op het kind uitoefenen en die de gerekwestreerde er mogelijk toe zouden kunnen brengen de onwettige toestand uit de wereld te helpen door samen met het kind weer naar Nederland te reizen, mogelijk eveneens een bedreiging van het welzijn van het kind gepaard zou kunnen gaan.

Met het thans aangevochten besluit legde het gerecht in eerste aanleg – zonder van tevoren verder onderzoek te hebben verricht – de gerekwestreerde een geldboete van EUR 1.000,- op.

De rechtbank motiveerde haar beslissing met name op het feit dat de gerekwestreerde sinds thans meer dan één jaar voortdurend weigert om aan het in kracht van gewijsde gegane besluit tot teruggeleiding gevolg te geven, om welke reden haar een geldboete dient te worden opgelegd, teneinde haar te bewegen gehoor te geven aan het besluit tot teruggeleiding. De hoogte van de geldboete is met het oog op de voortdurende weigering van de gerekwestreerde aan het besluit tot teruggeleiding gevolg te geven in ieder geval redelijk. Omdat de geldboete alleen aan de gerekwestreerde is opgelegd en de minderjarige door deze maatregel niet getroffen is, dient ook niet te worden uitgegaan van een bedreiging van het welzijn van het kind door de tenuitvoerlegging van de geldboete tegen gerekwestreerde; daarnaast kan de gerekwestreerde een geldboete tegengaan,door zich aan het besluit tot teruggeleiding te houden.

Tegen deze beslissing richt zich het tijdig ingestelde beroep van de gerekwestreerde. Hierin worden de redenen van het beroep, de onjuiste gerechtelijke beoordeling, de onjuiste vaststelling van de feiten alsmede de gebrekkigheid van de procedure aangevoerd en wordt verzocht om de aangevochten beslissing ongedaan te maken, zonder dat hiervoor iets anders op de plaats komt; subsidiair wordt verzocht om deze dusdanig te wijzigen dat het verzoek van de rekwestrant tot tenuitvoerlegging in zijn geheel wordt afgewezen en een onderbreking van de onderhavige teruggeleidingsprocedure tot aan de definitieve beëindiging van de in Nederland lopende gezagsprocedure wordt uitgesproken; meer subsidiair wordt er een verzoek tot ongedaanmaking ingediend.

De rekwestrant verzoekt in het tijdig ingediende antwoord op het hoger beroep om geen gevolg te geven aan het rechtsmiddel van de tegenpartij.

Het beroep is niet gerechtvaardigd.

Er dient te worden vooropgesteld dat het gerecht in eerste aanleg met zijn beslissing kennelijk aanvankelijk slechts met een geldboete wilde dreigen voor het geval dat de gerekwestreerde zich tegen de verplichting tot teruggeleiding zou blijven verzetten. Dit blijkt voldoende duidelijk uit de motivering van het besluit (letterlijk: “… diende haar een geldboete van EUR 1.000,- te worden opgelegd, teneinde haar te bewegen gehoor te geven aan het in kracht van gewijsde gegane besluit tot teruggeleiding.” en “Daarnaast zou c.q. kon de moeder aan een geldboete (kunnen) ontkomen door zich aan het besluit tot teruggeleiding te houden.”) en een dergelijke aanpak lijkt in de gegeven omstandigheden de meest deugdelijke tenuitvoerleggingsmaatregel te zijn om het nagestreefde doel te bereiken (zie tevens de beslist ook in teruggeleidingsprocedures doelmatige aanpak zoals omschreven in § 354, lid 2 EO, waarmee in eerste instantie voor het geval van “Saumsal” met dwangsommen wordt gedreigd, en die pas ten uitvoer worden gelegd indien de uitvoering van de handeling verleende termijn zonder resultaat blijft, waarbij tevens – onder vaststelling van een nieuwe termijn voor de verschuldigde prestatie – met een steeds scherper dwangmiddel dient te worden gedreigd). Voor zover derhalve het gerecht in eerste aanleg zijn onmiskenbare vastberadenheid in zijn uitspraak niet voldoende duidelijk tot uitdrukking had gebracht, diende de beslissing aan de hand van het uit de uitspraak van de beslissing op het hoger beroep blijkende criterium te worden bekrachtigd, waarbij de vereiste termijnbepaling voor het uitvoeren van de bevolen teruggeleiding naar deze plaats eveneens achteraf diende te worden toegevoegd.

Zoals het gerecht in eerste aanleg overigens juist heeft aangetoond, dient ervan uit te worden gegaan dat de gerekwestreerde sinds meer dan één jaar weigert om aan het in kracht van gewijsde gegane besluit tot teruggeleiding gevolg te geven, zodat de minderjarige nog steeds onder de hoede van de gerekwestreerde in Tirol verblijft. Aan overeenkomstige aansporingen en aanmaningen van het gerecht in eerste aanleg (als de vermoedelijk meest milde in § 79 AußStrG voorziene dwangmiddelen) heeft de gerekwestreerde geen gehoor gegeven (zie ook notities in het dossier in ON 53). Thans staat verder vast dat het in § 79 AußStrG voorziene meest verstrekkende dwangmiddel voor het afdwingen van de beslissing tot teruggeleiding, namelijk de toepassing van rechtstreekse psychische dwang door het kind weg te halen, op grond van de hiermee gepaard gaande bedreiging van het welzijn van het kind thans niet dient plaats te vinden (zie ook deskundigenrapport ON 122 en beslissing van de appelrechtbank in 54 R 133/11x).

Terecht heeft echter het gerecht in eerste aanleg met het thans aangevochten besluit tegenover de gerekwestreerde met een geldboete als redelijk dwangmiddel gedreigd, voor het geval dat zij aan het bevel tot teruggeleiding geen gevolg zou blijven geven. Reeds in verband met het afdwingen van beslissingen met betrekking tot het bezoekrecht is het gevestigde rechtspraak van het hoogste gerechtshof dat de ouder, die voor het onmondige kind zorgt, verplicht is om een ongerechtvaardigde weigering van het persoonlijke contact met de andere ouder door het kind positief en actief tegen te gaan. Deze ouder moet zich niet alleen onthouden van een negatieve beïnvloeding van het kind, maar ook alles in het werk stellen, wat van deze ouder kan worden gevergd, teneinde op een actieve wijze de andere ouder de persoonlijke omgang met het kind, zelfs tegen diens wil in, mogelijk te maken; Zelfs niet wanneer de reden van de weigering van het kind niet in een negatieve beïnvloeding door de moeder zou liggen, zou deze zich moeten inspannen om verzet van het kind tegen te gaan (zie ook 5 Ob 157/09v). Deze principes gelden des te meer in het onderhavige geval, temeer daar het verzoek om teruggeleiding van de rekwestrant zich niet op de terugkeer van de minderjarige in zijn gezag richt, maar “slechts” op de teruggeleiding van het kind naar Nederland. Zoals de rechtbank in hoger beroep in haar beslissing d.d. 18-11-2010 (54 R 132/10y) had uitgesproken, is aan dit bevel tot teruggeleiding derhalve niet noodzakelijkerwijs de scheiding van de minderjarige van de ontvoerende moeder en geenszins per se een confrontatie met de rekwestrant verbonden.

Uit de e-mail, die bij het hoger beroep van de gerekwestreerde is ingesloten, blijkt bovendien dat de gerekwestreerde in de tussentijd zelf reeds twee keer in Nederland is geweest, maar tijdens deze reizen haar dochter niet heeft meegenomen. De gerekwestreerde had tijdens deze twee reizen naar Nederland kunnen zorgen voor een passende positieve beïnvloeding en het minderjarige kind kunnen meenemen en zodoende aan de beslissing tot teruggeleiding gevolg kunnen geven. Alleen het in het beroep gestelde feit dat de minderjarige niet bereid is om vrijwillig mee naar Nederland te reizen, ontslaat naar de opvatting van de rechtbank in hoger beroep de gerekwestreerde niet positief invloed op het kind uit te oefenen en haar tot een vrijwillige terugkeer samen met de gerekwestreerde naar Nederland te bewegen. In strijd met de argumentatie in het hoger beroep blijkt in ieder geval uit het psychologische rapport van de gerechtelijke deskundige niet dat iedere vorm van teruggeleiding van de minderjarige naar Nederland reeds in strijd zou zijn met haar welzijn; veeleer werd in het rapport slechts uiteengezet dat als het kind opnieuw onder dwang wordt weggehaald uit de zorg van de moeder, gevolgd door een gedwongen teruggeleiding van het kind in die vorm, zoals deze tijdens de laatste poging van tenuitvoerlegging was gepland, dit bedreigend is voor het welzijn van het kind. Geenszins blijkt echter uit het deskundigenrapport dat er sprake is van een bedreiging van het welzijn van het kind als het kind samen met de moeder naar Nederland terugreist.

De appelrechtbank deelt geheel de opvatting van het gerecht in eerste aanleg dat de dreiging van een geldboete thans het redelijke dwangmiddel vormt om de gerekwestreerde duidelijk onder ogen te brengen dat zij eindelijk gehoor dient te geven aan de in kracht van gewijsde gegane beslissing tot teruggeleiding en de onwettige kinderontvoering hierdoor dient te beëindigen door samen met de minderjarige naar Nederland terug te reizen.

De in de “Außerstreitgesetz” voorziene dwangmiddelen zijn in principe geen strafrechtelijke sancties voor het negeren van een rechterlijke beschikking, maar dienen ervoor het door de wetgever gewenste gedrag van de betrokkenen te bewerkstelligen. Tegen het argument van de gerekwestreerde dat reeds met het opleggen van de geldboete het welzijn van het kind wordt bedreigd, temeer daar hierdoor diens onderhoud wordt benadeeld, dient te worden ingebracht dat uitsluitend het gedrag van de gerekwestreerde de oorzaak is van de noodzaak van dwangmaatregelen en derhalve de in het hoger beroep gestelde bedreiging van de economische draagkracht van de gerekwestreerde uitsluitend haar verantwoordelijkheid is (zie ook 1 Ob 107/09f).

Uiteindelijk is de appelrechtbank van mening dat ook de hoogte van de geldboete waarmee het gerecht in eerste aanleg heeft gedreigd, met het oog op de huidige hardnekkige weigering van de gerekwestreerde om het minderjarige kind terug te geleiden gedurende een dergelijk lange periode alsmede de door haar in het hoger beroep zelf toegegeven hoogte van het inkomen niet behoeft te worden gecorrigeerd.

Een onderbreking van de onderhavige teruggeleidingsprocedure die volgens de bepalingen van het HKOV snel dient te worden uitgevoerd wegens een in Nederland aanhangige gezagsprocedure, is niet voorzien.

In zijn totaliteit is het hoger beroep derhalve niet gegrond en diende de aangevochten beslissing aan de hand van het uit de uitspraak blijkende criterium te worden bekrachtigd. De appelrechtbank acht in de gegeven omstandigheden een termijn van 14 dagen in ieder geval voldoende om een behoedzame teruggeleiding van de minderjarige naar Nederland mogelijk te maken.

Volgens §§ 107, lid 3, 111a AußStrG dienen de partijen de kosten van hun conclusies ieder zelf te dragen.

Wegens het ontbreken van een rechtskwestie als bedoeld in § 62, lid 1 AußStrG diende het beroep in cassatie volgens deze wettelijke passage niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Arrondissementsrechtbank te Innsbruck, afdeling 4

Innsbruck, 15-03-2012

Dr. Helmut Grössl, rechter

 

 Elektronisch afschrift

volgens § 79 GOG (Gerichtsorganisationsgesetz = Oostenrijkse Wet op de Rechterlijke Organisatie)


Laat een reactie achter.





*